Tot de stollingsparameters die verband houden met COVID-19 behoren D-dimeer, fibrineafbraakproducten (FDP), protrombinetijd (PT), trombocytenaantal en -functietests, en fibrinogeen (FIB).
(1) D-dimeer
Als afbraakproduct van cross-linked fibrine is D-dimeer een veelgebruikte indicator voor de activering van de bloedstolling en secundaire hyperfibrinolyse. Bij patiënten met COVID-19 zijn verhoogde D-dimeerwaarden een belangrijke marker voor mogelijke stollingsstoornissen. D-dimeerwaarden hangen ook nauw samen met de ernst van de ziekte, en patiënten met significant verhoogde D-dimeerwaarden bij opname hebben een slechtere prognose. Richtlijnen van de International Society of Thrombosis and Hemostasis (ISTH) bevelen aan dat een sterk verhoogde D-dimeerwaarde (over het algemeen meer dan 3 of 4 keer de bovengrens van normaal) een indicatie kan zijn voor ziekenhuisopname bij COVID-19-patiënten, na uitsluiting van contra-indicaties. Anticoagulatie met profylactische doses laagmoleculaire heparine moet zo snel mogelijk worden gestart bij dergelijke patiënten. Wanneer de D-dimeerwaarde progressief stijgt en er een sterk vermoeden bestaat van veneuze trombose of microvasculaire embolie, moet anticoagulatie met therapeutische doses heparine worden overwogen.
Hoewel een verhoogde D-dimeerwaarde ook kan wijzen op hyperfibrinolyse, is een verhoogde bloedingsneiging bij COVID-19-patiënten met een sterk verhoogde D-dimeerwaarde ongebruikelijk, tenzij er sprake is van een manifeste DIC-hypocoagulatiefase. Dit suggereert dat het fibrinolytische systeem van COVID-19 nog steeds grotendeels geremd is. Een andere fibrinegerelateerde marker, namelijk FDP, vertoonde in principe dezelfde trend als de D-dimeerwaarde.
(2) PT
Een verlengde PT-tijd is ook een indicator voor mogelijke stollingsstoornissen bij COVID-19-patiënten en is geassocieerd met een slechte prognose. In het vroege stadium van een stollingsstoornis bij COVID-19 is de PT-tijd van patiënten meestal normaal of licht afwijkend. Een verlengde PT-tijd in de hypercoagulabele periode duidt doorgaans op de activering en het verbruik van exogene stollingsfactoren, evenals een vertraging van de fibrinpolymerisatie. Dit is dan ook een indicatie voor preventieve anticoagulatie. Echter, wanneer de PT-tijd significant verder verlengd is, vooral in combinatie met bloedingen, wijst dit erop dat de stollingsstoornis een stadium van lage stolling heeft bereikt, of dat er sprake is van complicaties zoals leverinsufficiëntie, vitamine K-tekort, overdosering van anticoagulantia, enz. In dat geval dient een plasmatransfusie als alternatieve behandeling te worden overwogen. Een andere screeningstest voor bloedstolling, de geactiveerde partiële tromboplastinetijd (APTT), blijft tijdens de hypercoagulabele fase van stollingsstoornissen meestal op een normaal niveau, wat mogelijk te wijten is aan de verhoogde reactiviteit van factor VIII in de ontstekingsfase.
(3) Bloedplaatjes telling en functietest
Hoewel activering van de bloedstolling kan leiden tot een verminderde consumptie van bloedplaatjes, komen verlaagde bloedplaatjesaantallen zelden voor bij COVID-19-patiënten. Dit kan verband houden met een verhoogde afgifte van trombopoïetine en IL-6, cytokinen die de bloedplaatjesreactiviteit in ontstekingsprocessen bevorderen. Daarom is de absolute waarde van het aantal bloedplaatjes geen gevoelige indicator voor stollingsstoornissen bij COVID-19. Het is wellicht waardevoller om de veranderingen in het aantal bloedplaatjes in de gaten te houden. Bovendien is een verlaagd aantal bloedplaatjes significant geassocieerd met een slechte prognose en is het een van de indicaties voor profylactische anticoagulantia. Wanneer het aantal echter significant verlaagd is (bijvoorbeeld <50×10⁹/L) en de patiënt bloedingen vertoont, moet een transfusie met bloedplaatjescomponenten worden overwogen.
Net als bij eerdere studies bij patiënten met sepsis, laten in vitro plaatjesfunctietesten bij COVID-19-patiënten met stollingsstoornissen doorgaans lage resultaten zien. De daadwerkelijke bloedplaatjes bij deze patiënten zijn echter vaak geactiveerd, wat mogelijk de lagere activiteit verklaart. Bloedplaatjes met een hoge activiteit worden eerst verbruikt door het stollingsproces, waardoor de relatieve activiteit van de bloedplaatjes in de bloedsomloop laag is.
(4) FIB
FIB is een eiwit dat betrokken is bij acute fase-reacties. Patiënten met COVID-19 hebben vaak verhoogde FIB-waarden in de acute fase van de infectie. Dit hangt niet alleen samen met de ernst van de ontsteking, maar een significant verhoogde FIB-waarde is op zichzelf ook een risicofactor voor trombose. Daarom kan het een indicatie zijn voor anticoagulatie bij COVID-19-patiënten. Wanneer de FIB-waarde echter progressief daalt, kan dit erop wijzen dat de stollingsstoornis is gevorderd tot een hypocoagulatiestadium, of dat de patiënt ernstig leverfalen heeft. Dit komt vooral voor in een laat stadium van de ziekte. Bij een FIB-waarde lager dan 1,5 g/L en in combinatie met bloedingen, dient FIB-infusie te worden overwogen.
Visitekaartje
Chinese WeChat