Wat is een aPTT-stollingstest?


Auteur: Succes   

De geactiveerde partiële tromboplastinetijd (APTT) is een screeningstest voor het opsporen van defecten in de stollingsfactoren van de "intrinsieke route" en wordt momenteel gebruikt voor het monitoren van stollingsfactortherapie, heparine-anticoagulatietherapie en de detectie van lupus-anticoagulans. Het is tevens een belangrijk middel om antifosfolipide-autoantilichamen op te sporen. De klinische toepassing ervan is na de PT (protontherapie) de meest frequente, of even frequente.

Klinische betekenis
Het heeft in principe dezelfde betekenis als de stollingstijd, maar met een hoge gevoeligheid. De meeste huidige APTT-bepalingsmethoden kunnen afwijkend zijn wanneer de plasma-stollingsfactor 15% tot 30% lager is dan de normale waarde.
(1) APTT-verlenging: de APTT-waarde is 10 seconden langer dan die van de normale controle. De APTT is de meest betrouwbare screeningstest voor endogene stollingsfactordeficiëntie en wordt voornamelijk gebruikt om milde hemofilie op te sporen. Hoewel factor VI:C-waarden onder de 25% van hemofilie A kunnen worden gedetecteerd, is de gevoeligheid voor subklinische hemofilie (factor VI > 25%) en hemofiliedragers gering. Verlengde resultaten worden ook gezien bij factor II (hemofilie B), IV en VI-deficiëntie; wanneer de bloedspiegel van anticoagulantia zoals stollingsfactorremmers of heparine stijgt, kan ook een APTT-verlenging optreden bij protrombine-, fibrinogeen- en factor V- en X-deficiëntie, maar de gevoeligheid is dan iets lager; APTT-verlenging kan ook worden gezien bij andere patiënten met leveraandoeningen, DIC en een grote hoeveelheid bloed in de bloedbank.
(2) Verkorting van de APTT: gezien bij DIC, pretrombotische toestand en trombotische ziekte.
(3) Monitoring van heparinebehandeling: APTT is zeer gevoelig voor de plasmaconcentratie van heparine en is daarom momenteel een veelgebruikte laboratoriumindicator voor monitoring. Het is hierbij belangrijk op te merken dat de APTT-meting een lineair verband moet vertonen met de plasmaconcentratie van heparine binnen het therapeutische bereik; anders mag de meting niet worden gebruikt. Over het algemeen is het tijdens heparinebehandeling raadzaam de APTT op 1,5 tot 3,0 keer de normale controlewaarde te houden.
Resultatenanalyse
In de klinische praktijk worden APTT en PT vaak gebruikt als screeningsinstrumenten voor de bloedstolling. Op basis van de meetresultaten zijn er grofweg de volgende vier situaties:
(1) Zowel APTT als PT zijn normaal: Behalve bij normale mensen wordt dit alleen gezien bij erfelijke en secundaire FXIII-deficiëntie. Verworven vormen komen vaak voor bij ernstige leveraandoeningen, levertumoren, maligne lymfomen, leukemie, antistoffen tegen factor XIII, auto-immuunanemie en pernicieuze anemie.
(2) Verlengde APTT met normale PT: De meeste bloedingsstoornissen worden veroorzaakt door defecten in de intrinsieke stollingsroute. Zoals hemofilie A, B en factor IV-deficiëntie; er zijn antistoffen tegen factor VI, VI en IV in de bloedsomloop.
(3) Normale APTT met verlengde PT: de meeste bloedingsstoornissen worden veroorzaakt door defecten in de extrinsieke stollingsroute, zoals genetische en verworven factor VII-deficiëntie. Verworven vormen komen vaak voor bij leverziekten, DIC, anti-factor VII-antilichamen in de bloedsomloop en orale anticoagulantia.
(4) Zowel APTT als PT zijn verlengd: de meeste bloedingsstoornissen worden veroorzaakt door defecten in de gemeenschappelijke stollingsroute, zoals genetische en verworven deficiëntie van factor X, V, II en I. Verworven deficiënties worden vooral gezien bij leverziekten en DIC, en de factoren X en II kunnen verlaagd zijn bij gebruik van orale anticoagulantia. Bovendien zijn deze ook verlengd wanneer er antilichamen tegen factor X, factor V en factor II in de bloedsomloop aanwezig zijn. Bij klinisch gebruik van heparine zijn zowel APTTT als PT dienovereenkomstig verlengd.