Een bloedstolsel lijkt misschien een gebeurtenis die zich voordoet in het cardiovasculaire, pulmonaire of veneuze systeem, maar het is in werkelijkheid een uiting van de activering van het immuunsysteem. D-dimeer is een oplosbaar fibrine-afbraakproduct en de D-dimeerwaarden zijn verhoogd bij trombosegerelateerde aandoeningen. Daarom speelt het een cruciale rol bij de diagnose en prognosebepaling van acute longembolie en andere ziekten.
Wat is D-dimeer?
D-dimeer is het eenvoudigste afbraakproduct van fibrine, en een verhoogd niveau ervan kan een hypercoagulabele toestand en secundaire hyperfibrinolyse in vivo weerspiegelen. D-dimeer kan worden gebruikt als marker voor hypercoagulabiliteit en hyperfibrinolyse in vivo, en een verhoging ervan suggereert dat het verband houdt met trombotische aandoeningen die door verschillende oorzaken worden veroorzaakt, en duidt tevens op een verhoogde fibrinolytische activiteit.
Onder welke omstandigheden zijn de D-dimeerwaarden verhoogd?
Zowel veneuze trombo-embolie (VTE) als niet-veneuze trombo-embolische aandoeningen kunnen leiden tot verhoogde D-dimeerwaarden.
VTE omvat acute longembolie, diepe veneuze trombose (DVT) en cerebrale veneuze (sinus)trombose (CVST).
Niet-veneuze trombo-embolische aandoeningen omvatten acute aortadissectie (AAD), gescheurd aneurysma, beroerte (CVA), gedissemineerde intravasculaire stolling (DIC), sepsis, acuut coronair syndroom (ACS) en chronische obstructieve longziekte (COPD), enzovoort. Daarnaast zijn de D-dimeerwaarden ook verhoogd bij aandoeningen zoals hoge leeftijd, recente chirurgie/trauma en trombolyse.
D-dimeer kan worden gebruikt om de prognose van een longembolie te beoordelen.
D-dimeer voorspelt de mortaliteit bij patiënten met longembolie. Bij patiënten met acute longembolie werden hogere D-dimeerwaarden geassocieerd met hogere PESI-scores (Pulmonary Embolism Severity Index Score) en een verhoogde mortaliteit. Studies hebben aangetoond dat een D-dimeerwaarde <1500 μg/L een betere negatieve voorspellende waarde heeft voor de mortaliteit na 3 maanden bij longembolie: de mortaliteit na 3 maanden is 0% wanneer de D-dimeerwaarde <1500 μg/L. Wanneer de D-dimeerwaarde hoger is dan 1500 μg/L, is verhoogde alertheid geboden.
Daarnaast hebben sommige studies aangetoond dat bij patiënten met longkanker een D-dimeerwaarde <1500 μg/L vaak duidt op een verhoogde fibrinolytische activiteit veroorzaakt door tumoren; een D-dimeerwaarde >1500 μg/L wijst er vaak op dat patiënten met longkanker diepe veneuze trombose (DVT) en longembolie hebben.
D-dimeer voorspelt recidief van veneuze trombo-embolie.
D-dimeer is een voorspellende factor voor recidiverende veneuze trombo-embolie (VTE). Bij patiënten met een negatieve D-dimeerwaarde was het recidiefpercentage na 3 maanden 0. Als de D-dimeerwaarde tijdens de follow-up weer stijgt, kan het risico op VTE-recidief aanzienlijk toenemen.
D-dimeer helpt bij de diagnose van aortadissectie.
D-dimeer heeft een goede negatieve voorspellende waarde bij patiënten met acute aortadissectie, en een negatieve D-dimeerwaarde kan acute aortadissectie uitsluiten. De D-dimeerwaarde is verhoogd bij patiënten met acute aortadissectie en niet significant verhoogd bij patiënten met chronische aortadissectie.
Een D-dimeerwaarde die herhaaldelijk fluctueert of plotseling stijgt, wijst op een groter risico op een dissectieruptuur. Als de D-dimeerwaarde van de patiënt relatief stabiel en laag is (<1000 μg/L), is het risico op een dissectieruptuur klein. Daarom kan de D-dimeerwaarde een leidraad vormen voor de behandeling van deze patiënten.
D-dimeer en infectie
Infectie is een van de oorzaken van veneuze trombo-embolie (VTE). Tijdens een tandextractie kan bacteriëmie optreden, wat kan leiden tot trombotische complicaties. In dat geval moeten de D-dimeerwaarden nauwlettend in de gaten worden gehouden en moet de antistollingstherapie worden geïntensiveerd wanneer de D-dimeerwaarden verhoogd zijn.
Daarnaast zijn luchtweginfecties en huidbeschadigingen risicofactoren voor diepe veneuze trombose.
D-dimeer is bepalend voor de antistollingstherapie.
De resultaten van de PROLONG multicenter, prospectieve studie, zowel in de initiële fase (18 maanden follow-up) als in de verlengde fase (30 maanden follow-up), toonden aan dat D-dimeer-positieve patiënten, vergeleken met niet-geanticoaguleerde patiënten, na een onderbreking van de behandeling van 1 maand nog steeds een verhoogd risico op VTE-recidief vertoonden. Anticoagulatie verminderde het risico op VTE-recidief significant, maar er was geen significant verschil bij D-dimeer-negatieve patiënten.
In een overzichtsartikel gepubliceerd in Blood wees professor Kearon er ook op dat antistollingstherapie kan worden afgestemd op de D-dimeerwaarde van een patiënt. Bij patiënten met een onverklaarde proximale diepe veneuze trombose (DVT) of longembolie kan de antistollingstherapie worden gestuurd door de D-dimeerwaarde te bepalen; als D-dimeer niet wordt gebruikt, kan de antistollingsbehandeling worden bepaald op basis van het bloedingsrisico en de wensen van de patiënt.
Daarnaast kan D-dimeer een leidraad zijn voor trombolytische therapie.
Visitekaartje
Chinese WeChat